Beerenbroike archiefstukken
http://beerenbroike.blogeiland.nl

Top sites
- Dol je vrienden!
- Bedrijven uit Nederland
- Speur plaza
- Auto spot
- Gratis weblog
- Nieuwe ringtones
- Webcam chat
- Gratis dating
- Plaatjes kleurplaten
- Verhuur je koophuis

Logs van Beerenbroike archiefstukken
--- Archief ---

Poll



Afbeelding/foto

Beerenbroike behandelt de beeldvorming over archieven en archivarissen in de verhalende literatuur. Stukken op Beerenbroike verschenen voor een deel eerder op het weblog Erfgoedman.
Blogeiland-blogs
eff123456789.blogeiland.nl
gen.blogeiland.nl
theroseblog.blogeiland.nl
iskorpitx.blogeiland.nl
AlexMesman.blogeiland.nl
Selina.blogeiland.nl
xmeisje.blogeiland.nl
demensch.blogeiland.nl
cookiemonster.blogeiland.nl
jenzZz.blogeiland.nl
html / Webdesign vragen?
Je eigen weblog?

21-02-2012 - VROUWENKOLONIE

In ‘Ter navolging’ (2004) van Kees ’t Hart staat een intrigerende passage over een topambtenaar van OCW die weet te melden dat historisch onderzoek hoge ogen gooit bij de minister: ‘Als het historisch is mag alles. Je weet, de kiezers worden ouder en ouder en als je ouder wordt wil je het verleden dichterbij halen. Al die amateuronderzoekers met hun gewroet in het verleden, dat is onze toekomst’. Voor de duidelijkheid: ‘Ter navolging’ is een roman. Bovendien, elders in de roman staat de verwensing ‘val maar dood met je archieven’.


Mocht ik ouder en ouder worden, dan hoop ik niet dat het nu volgende op mij van toepassing zal worden:


‘Hij leest alleen oude boeken. De boeken die nu nieuw verschijnen, begrijpt hij niet.’ (Frida Vogels, ‘Dagboek 1954-1957’)



In ‘Werken voor de eeuwigheid: een geschiedenis van het Letterkundig Museum’ (2004) van Nop Maas wordt de koehandel beschreven rond persoonlijke archieven van Nederlandse schrijvers. Ook verhalen over (weduwen van) schrijvers die op hun oude dag hun archieven verbrandden, waarbij honderden brieven van Couperus verloren zijn gegaan. Het boek beschrijft ook zaken als het uit elkaar trekken en splitsen van archieven, het Auteursrecht, openbaarheid, het abusievelijk ter inzage geven van gevoelig materiaal en al dan niet krankzinnige klanten. Of het doorgaans onterechte verwijt dat het museum archiefdelen zoek zou hebben gemaakt. En de vraag waarom voor onderzoekers allerlei beperkingen gelden, terwijl het archiefpersoneel ongehinderd alle stukken kan inzien en daarvan kopieën kan maken. Ook amusant zijn de passages over amateurschrijvers die voor de deur van het museum staan met dozen vol manuscripten en andere persoonlijke papieren, om die alvast, in afwachting van hun doorbraak, in de collectie onder te brengen. Of amateurdichters die erop staan in het museum hun werk voor te dragen. ‘Een enkele keer deed zich een echte krankzinnige voor. Bijvoorbeeld een man die een drama van tachtigduizend verzen geschreven had en daar absoluut een kwartier uit wilde voordragen om de kwaliteit van hetzelve te bewijzen en een schriftelijk bewijs van approbatie te verkrijgen waarmee hij dan weer uitgevers kon bestoken’.


‘Annies archief was een zootje’, staat te lezen in het boekje ‘Klein genoeg: Bibi Dumon op bezoek bij Tine van Buul’ (2006), tientallen jaren mededirecteur van uitgeverij Querido. Met Annie wordt Annie M.G. Schmidt bedoeld. ‘Er was eigenlijk geen sprake van een archief’, zegt Tine. ‘Alles stond door elkaar. Van Jip en Janneke had ze bijvoorbeeld de zesentwintigste druk wel, maar de derde niet. Ze gaf het allemaal weg’. Tine van Buul heeft ook nog een tijdje in een bibliotheek gewerkt. Ze vond het er verschrikkelijk. ‘Zo’n vrouwenkolonie’, zegt ze. ‘Je kent dat wel. Zodra er iemand binnen kwam deden ze aardig. En als ze dan weer wegging fluisterden ze gauw. ‘Die heeft gisteravond gevreeën hoor, kijk maar naar de beten in haar nek’.


‘In veel bibliotheken is een bibliothecaresse te vinden die de verlangens van mannelijke bezoekers opwekt. Tussen de meestal onaantrekkelijke, soms zelfs mismaakte medewerkers is zij zonder meer beeldschoon, maar zij draagt haar schoonheid op een onopvallende, niet-behaagzieke manier. Ze is geconcentreerd op andere dingen en doet haar werk zonder op- of omkijken. Van de funeste invloed die zij heeft op de studiezin van veel mannen lijkt ze zich niet bewust. Haar bewonderaars proberen oprecht hun aandacht te bepalen tot de boeken, maar om de zoveel pagina’s wordt hun blik weggetrokken van het papier. Haar aanwezigheid is sterker dan welke intellectuele drijfveer ook.’


Tommy Wieringa, ‘Alles over Tristan’ (2002, mooi boek!)



Gepost door: beerenbroike op 21-02-2012 om 21:57
20-02-2012 - DU PERRON




‘De aankomst in Priok was helemaal niet oosters’, schrijft Jan de Hartog in ‘Gods geuzen’ deel 1. In Priok zette ook E. du Perron (1899-1940) voet aan wal bij zijn terugkeer naar zijn Indische thuisland, in 1936, beschreven in zijn verzamelde brieven en ‘D’Artagnan tegen Jan Fuselier’ van J.H.W. Veenstra. Daarin fantastische beschrijvingen over intriges op het Landsarchief Batavia. Het is Du Perron op zijn best. De tegen hem gerichte intriges werden direct veroorzaakt door zijn al gepubliceerde grote roman ‘Het land van herkomst’, waarin de echtgenoot van De Kloek (zie hieronder) figureert, wat niet zonder gevolgen bleef. Du Perron over zijn bestaan als archiefambtenaar:


‘Het archiefwerk heeft zijn voor en tegen. Tegen: géén toekomst. () Tegen ook: dat het salaris zoo klein is. () Vóór: betrekkelijk weinig werk, prettige omgeving, uiterst geschikte chef, gelegenheid om voor jezelf wat te doen tusschen de bedrijven door, vooral als ik wat meer wegwijs zal zijn; behoorlijk ‘standing’ ondanks de geringe betaling. Het Landsarchief ‘kleedt’. Veel meer dan de journalistiek.’ Over de bezoekers op het Archief schrijft Du Perron: ‘Een paar dagen geleden hadden we op het Archief bezoek van zekeren heer Kirdorfer. Een mannetje a la Campert, bleekscheeterig, mager, een brilletje en sprietig haar, een beetje bedorven tandjes en net genoeg finesse om in de vrije avonduren af en toe een slap versje te schrijven’. Mag men bezoekers op het Archief koffie serveren? Een schitterend verslag daarover bij Du Perron, naar aanleiding van ‘de Kloek’ op het Archief. Ieder archief kent wel zo iemand, man, vaker vrouw, die al vele jaren op het Archief werkzaam is en er meent de dienst te kunnen uitmaken. De Kloek – Du Perron beschrijft haar als ‘een afschuwelijk wijf, een van die gevaarlijke lastertantes die een ander rattenkruid in zijn soep zou doen om man, zoon of andere nabestaande ‘vooruit te helpen’’ - serveert alleen koffie aan mensen die naar de verhalen over haar man (‘me-man’) willen luisteren, voormalig waarnemend adjunct-landsarchivaris en ontslagen na het verknippen van archiefdocumenten om zich de zegellakken toe te eigenen. Deze man – in de woorden van Du Perron ‘van een kwaadaardig naturel’ – had de euvele moed zijn superieur aan te klagen vanwege ‘niets-doen op het Archief’. Du Perron heeft daar verzachtende omstandigheden voor, want zelf doet hij op het Archief, in navolging van velen, ook niets (‘niemand doet werkelijk iets in de Indische ambtenarij, en het bewijs daarvan is dat ik je dit in kantooruren pen’). De taken die resteren beschrijft Du Perron als ‘suf werk’. De Kloek had zich, opgestookt door haar man, tegen de aanstelling van Du Perron verzet omdat zij aan zijn gezicht zou kunnen zien dat hij homoseksueel was, Enfin, Du Perron en enkele collega’s wisten te bewerkstelligen dat de Kloek geen koffie aan bezoekers meer mocht serveren, ‘den dag dat het compleete archief tegen de kloek samenvloeide’. Toch heeft het werk op het Landsarchief grote betekenis gehad voor Du Perron, want hij trof er documenten afkomstig van Multatuli, over wie hij een boek schreef. Hij kreeg toestemming van de archivaris om deze dossiers – ontoegankelijk voor het publiek – te gebruiken voor zijn onderzoek. Niet lang daarna verscheen in de Indische Courant een giftig ingezonden stuk over de praktijken op het Landsarchief, waar ongekwalificeerde mensen zouden worden aangenomen (bedoeld werd Du Perron), zonder de vereiste opleiding, en die ook nog meer zouden verdienen dan personeel dat er al langer zit. Volgens het krantenstuk zou de niet met name genoemde Du Perron niet weten wat hij op het Archief moest doen ‘en dan in  arren moede maar in een bundel stukken gaan zitten bladeren’. Gelukkig voor Du Perron distantieerde de redactie van de Indische Courant zich later van het ingezonden roddelartikel. Maar nog was Du Perron niet van ‘Indische roddelpraat’ verlost, want vlak daarop verschenen ook in andere kranten venijnige stukjes. Bij zijn vriend Menno ter Braak informeerde Du Perron of er in Holland geen archiefbaantje vacant was, het liefst bij het Rijksarchief in Den Haag. In Batavia hield hij het niet meer uit, de hitte zorgde voor steeds meer gezondheidsproblemen. Ter Braak vervoegde zich bij het Haags Gemeentearchief om voor Du Perron te pleiten, maar kreeg nul op het request. Er waren nauwelijks vacatures bij het Nederlandse archiefwezen, ‘behalve voor Roomschen’. Of Du Perron er niet voor voelde om zich aan te sluiten bij de Moederkerk?


 


Lees meer:


‘D’Artagnan tegen Jan Fuselier’, J.H.W. Veenstra (1962), Van Oorschot


Briefwisseling Ter Braak-Du Perron IV, 1930-1940 (1962), Van Oorschot


http://www.svestdijk.nl/biografieen/briefwisseling-ter-braak-du-perron.html


 



Gepost door: beerenbroike op 20-02-2012 om 15:16
18-02-2012 - SCHOENENDOOS

Afgelopen zondag twee schoenendozen over tafel uitgekieperd met oude familiefoto’s (vanaf 1925) en naar jeugdherinneringen gevraagd. Oude brieven vanaf de oorlogsjaren duiken op, handschriften die nauwelijks nog te lezen zijn, afkomstig van familieleden die al lang zijn overleden, met op de achtergrond krakerige muziek uit de jeugdjaren van de gefotografeerden:  schön war es doch.




 


Die schoenendozen met foto’s vind ik spannender dan fotoalbums, waarin de volgorde al vastligt. Bij het over tafel gooien van de inhoud van de schoenendozen is de rangschikking van de foto’s telkens weer anders, en ook al heb ik dit ritueel al zeker tien keer volvoerd, toch duiken er steeds weer foto’s op die mij de vorige keren niet zijn opgevallen, en blijven veel vragen open. Zoals in de mooie roman ‘De autobiografie van Laura X.’ (2006) van Lidy van Marissing is verwoord:


‘Die bizarre verwachting dat je door laden en albums en enveloppen en schriften te openen, door knopen uit te halen of eindjes van draden juist aan elkaar te strikken, door foto’s en vellen papier te ontcijferen, door oude lappen uit te rollen, lappen en nog eens lappen af te wikkelen, stapels kleren te bekijken, te betasten en weer op te vouwen, door brieven en dagboeken uit te pluizen, touwtjes en linten los te peuteren, pakjes open te scheuren op zoiets ongrijpbaars zou stuiten als het verloop van een geschiedenis, de drijfkracht van een leven, het hart van een mens’.  


Er bestaan ook talloze romans over personages die hun toevlucht zoeken tot archieven om familiezaken uit te zoeken, zoals in de roman ‘Erfsmet’ (2004) van Peter Drehmanns, waarin het Vaticaanarchief een rol speelt in de speurtocht naar het verleden van een oom, een in ongenade gevallen pater. Het archief wordt bewaakt door een man met een koortslip; herpes, vermoedt het hoofdpersonage, eveneens Peter Drehmanns geheten. In zijn rondgang langs archieven wordt Drehmanns voor onwelkome feiten gesteld: archieven zijn ineens verhuisd, of de openingstijden bieden amper gelegenheid om zaken te kunnen doen: ‘De geur van vergeelde manuscripten en bezwete onderzoekers, het stof van eeuwenlang ongeopende boeken, het amper hoorbare gepruttel van zachtjes sudderende geheimen – dat alles werd mij onthouden.’



Gepost door: beerenbroike op 18-02-2012 om 22:05
18-02-2012 - DIGIBABES & OUD PAPIER

Wonderlijke bijeenkomsten heb ik  meegemaakt in een poging van organisaties om hun medewerkers de omslag van papier naar digitaal te laten maken. De noodzaak begreep ik, maar die omslag ging bij tal van instellingen gepaard met sterke vermindering van de aandacht voor de papieren collectie (de houding leek zo’n beetje: ‘steek er toch de fik in’). Daarvan gaan hakken in het zand en brengt digitalisering een omgekeerd effect teweeg:  het hardnekkig vasthouden aan papier neemt toe, deels uit nostalgische overwegingen, deels uit angst niet mee te kunnen met nieuwe ontwikkelingen, en voor het overige uit verzet tegen bijkomstige zaken, zoals de hiervoor genoemde, aan dédain grenzende verwaarlozing van papieren collecties. Of zit dat alleen in de hoofden? Spannend die hybride situatie, en nostalgie, vakbroeders en zusters: wie kent nog de geweldige band De DIV (uit Delft), en sterke nummers als ‘Teken de tijd’. Teken de tijd dus: niet echt uitnodigend bleek verder de onzinnige geheimtaal die in de wereld van i-documentbeheer werd gebezigd. Bijvoorbeeld bij bijeenkomsten als de On Line Conferentie en de Dag van het Document. Naast voor mij, als papyro, onbegrijpelijke Engelstalige toespraken over ‘how to involve primary documentary analyses in management flows and restructuring keyworks’  kreeg ik ook te maken met agressieve jongelieden die hoorden bij de vele stands van bedrijven die zich bezig hielden met digitale randverschijnselen. Een van die knapen, strak in het pak, wilde weten waar ik werkte. Na mijn antwoord vertelde hij enthousiast over de directies bij mijn werkgever waar zijn bedrijf een voet tussen de deur had, directies die – zo wist ik naar waarheid te vertellen - in de meeste gevallen gelukkig al lang waren opgeheven. Toen begon hij - half in het Engels - een vakinhoudelijk praatje. Op mijn vraag of hij ook zijn moerstaal kon spreken antwoordde hij ontkennend: veel archiefterminologie verdraagt geen vertaling. Twee bij de jongeman en diens bedrijf behorende meisjes in zwarte kokerrokjes waagden door gebrek aan klandizie een dansje op denkbeeldige muziek (het weekend naderde voor de digibabes). Steeds als ik de naam van dat bedrijf lees of hoor moet ik weer aan die meisjes denken. Toen ik op mijn beurt en op levendige toon verhaalde over mooie vondsten in ons archief (bijvoorbeeld een brief van Gerard Reve!), leidde dat op zijn beurt tot vraagtekens, meneer had nog nooit van Gerard Reve gehoord. Zucht. Dat had ik kunnen weten.





 


Over weggooien gesproken. Ik las in ‘De geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat’ van Piet Buijnsters over een of andere directeur van (voorheen) veilinghuis Van Gendt die het archief van dit huis had weggegooid. Foei! Ook dat antiquariaten soms moeite hebben een lening bij een bank te regelen, omdat antiquarische boeken met ‘oud papier’ worden geassocieerd. Ook Adriaan Venema noteert in deel 4 van zijn cyclus ‘’ Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie’ hoe achteloos er met archieven is omgegaan (lees: weggegooid), evenals Peter de Ruiter in zijn onvolprezen biografie van Bram Hammacher (oud-directeur van het Kröller Müller Museum en daarvoor kortstondig topambtenaar bij het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen). Zie tot slot ook de woorden van Dick Welsink in ‘Juffrouw Ida’, jaargang 13, nummer 2, 1983, Letterkundig Museum:  


‘Het derde obstakel, vooral lastig voor hen die een bibliografie wensen te maken van auteurs uit de twintigste eeuw, is het ontbreken van goede uitgeversarchieven. Verhuizingen, bombardementen, branden, fusies, slordigheid en gebrek aan historisch besef hebben eendrachtig geleid tot gebrekkige bewaarplaatsen’. Daaraan kan, als we niet uitkijken, digitale haast worden toegevoegd, maar dit alles wel – nooit vergeten – in de wetenschap dat door digitalisering de toegankelijkheid van collecties (archieven e.d.) voor een breed publiek enorm is toegenomen, dat digitalisering wordt ingezet om papieren erfgoed waarover we ons zo druk kunnen maken voor vergaan wordt behoed en we ook nog eens verlost worden van alle clichés over een stoffig beroep.

Gepost door: beerenbroike op 18-02-2012 om 17:13
16-02-2012 - SERPENT

‘Gebruik bibliotheken!’ (Susan Sontag, ‘Herboren’, 2009).  


November 2010 overleed de vooraanstaande bibliotheekwetenschapper Herman Liebaers (1919). Van hem las ik ‘Meestal in opdracht: Brusselse kant-tekeningen van een bibliothecaris’ (1982), waarin een mooie passage over de Nederlandse bibliografe Marie Kronenberg die ‘jaar na jaar de toegang tot de Aremberg-bibliotheek geweigerd werd omdat zij een ‘Hollands protestants serpent’ was’, een kwalificatie die Liebaers niet deelde. Zulke passages zijn meer terug te vinden in ‘Meestal in opdracht’, bijvoorbeeld over de moeizame relatie tussen privéverzamelaars en ‘kortzichtige ambtenaren’. Je hoeft het niet altijd met hem eens te zijn, om toch te verzuchten waarom er niet veel meer memoires van bibliothecarissen en archivarissen op schrift zijn gesteld.





Liebaers is nog betrokken geweest bij de voorbereidingen van de expositie ‘De Nederlandse letterkunde in honderd schrijvers’ (1953-1954) in het Haags Gemeentemuseum, waarvan nog een platenatlas is uitgegeven, een jaar later gevolgd door ‘Honderd schrijvers van onze eeuw’.


Mooi zijn de jeugdherinneringen van Liebaers, maar vooral de vele anekdotes over het bibliotheekvak zijn amusant en voor beroepsbeoefenaars mogelijk herkenbaar, bijvoorbeeld over de afdeling catalogisering:


‘waar een dozijn universitair gevormde bibliothecarissen werkzaam was en waar de keuze van ieder trefwoord nagenoeg aanleiding werd tot een filosofische discussie. Het hoofd van de afdeling had maar één vijand: regels voor titelbeschrijving. De toepassing van regels was een bewijs van intellectuele onvolwassenheid’.


Tijdens een bezoek aan de Verenigde Staten werd Liebaers eens voorgesteld aan de gewezen (31e) president Herbert Hoover, die hem vervolgens een uur lang uitschold. Liebaers stond, zo schrijft hij, op dat moment symbool voor alle Europeanen, die ‘allemaal Karl Marx lazen’.


Tot slot nog een prikkelend citaat, weer actueel door de huidige trend bibliotheek- en archiefdiensten samen te voegen: ‘vele van de genootschappen verenigen in hun schoot bibliothecarissen en archivarissen, waarbij de laatsten vaak de actiefste leden zijn. Geleidelijk heb ik een theorie opgebouwd volgens welke in de landen, waar bibliothecarissen en archivarissen lid waren van dezelfde vereniging, de bibliotheken in een staat van onderontwikkeling zijn. Zeer geliefd ben ik bij de archivarissen dus nooit geweest, maar vandaag ben ik er nóg niet zeker van dat ik mij destijds vergist heb’.


 



Gepost door: beerenbroike op 16-02-2012 om 21:29
14-02-2012 - VRIIENDSCHAP


 

Wat is het soms een zegen als de erven publicatie van de nalatenschap van dichters en schrijvers vrijgeven. Zoals recent de briefwisseling tussen de dichters Koos Schuur en Jan Elburg, ‘Een halve eeuw vriendschap: twee Vijftigers in brieven 1943-1992’, bezorgd door Siem Bakker, en verschenen onder de vlag van het Letterkundig Museum. Vooral de intense brieven van de Groninger Koos Schuur vanuit Australië (hij emigreerde in 1951) zijn een belevenis. De wanhoop om de dreigende mislukking (ook als schrijver), de frequente wisseling van baantjes, de geldnood en heimwee naar Nederland zetten de toon. Daar komt nog zijn onfortuinlijk huwelijksleven bij. De brieven worden, in de stemming waarin ze zijn geschreven, lange gedichten op zichzelf, of staccatoproza met weglating van hoofdletters:


‘zo ben ik dus verhuisd onder dezelfde omstandigheden van buitengewone waakzaamheid jegens de vijand ellende of armoede of nood of alleen maar worry? waarom worry ik? ben ik verhuisd naar de waterview cottage van pat farwell (die op marlene lijkt) en de nederlandse kolonie ontrouw, ik, aber Deutschland verrecke!  en woon ik nu in de vallei, maar waarom worry ik? werken doe ik nu als opmaker van de manly daily en dit is wel rustig; twee handen heb ik, maar een hoofd? naslagen van een voorbij onweer (of niet voorbij?), zeer nerveus en mijzelf verloren, chainsmoking, en mezelf kwijt, wie ben ik?’  


(uit een brief van 10 mei 1952).





In diezelfde brief meldt Schuur aan een roman te zijn begonnen:


‘ik begon heel ernstig en professoraal (dat is nog mn ouwe groningse inslag van steil front tegen de buitenwereld) en daarom heb ik de hele geschreven boel maar verbrand. ik schrok me dood, zoiets als jezus kristus, doe niet zo deftig onpersoonlijk!’


Na een paar jaar komt zijn leven in Australië wat tot rust, zo zeer zelfs dat het hem de keel begint uit te hangen. Maar wat een geweldige brieven heeft dat verre verblijf gebracht! (hoewel anderen mogelijk zullen spreken van wartaal).


De brieven van Jan Elburg (ook mooi) vormen, afgezet tegen het uptempo van Schuur, meestal een rustpunt in de briefwisseling, waarin Elburg zijn vriend bemoedigt en op de hoogte houdt van de laatste (literaire) roddels, en er ook gedichten worden uitgewisseld. In een latere fase van de briefwisseling krijgen beide schrijvers ernstige gezondheidsproblemen en worden wederzijdse troostbrieven geschreven.


Een aanwinst voor de boekenkast! En wat zit & ligt er verder nog in het verschiet? Al jaren kijk ik uit naar publicatie van het dagboek van schrijver Max de Jong, maar voor het zover is zullen nog wel vele jaren verstrijken.


 



Gepost door: beerenbroike op 14-02-2012 om 20:52
12-02-2012 - COOLEY

‘De archivaris’ van Martha Cooley lijkt me typisch een roman die het goed zal doen bij leesgroepen. Het boek verscheen in 1998, de Amerikaanse schrijfster Martha Cooley maakte met ‘De archivaris’ haar debuut.


Zo luidt het verhaal: de hoofdpersoon is Matthias Lane, ‘een man van vaste gewoonten, een archivaris in wiens leven zelden iets voorvalt wat zijn strakke orde verstoort’. Pas maar op, dat zijn de gevaarlijkste archivarissen! Niet helemaal duidelijk is waarom Lane zich archivaris noemt terwijl hij werkzaam is in een bibliotheek.  Men hoeft hem echter niets te vertellen, (letterlijk) blindelings weet hij dossiers, documenten en postboeken te vinden, die hij herkent aan de stofomslagen, het gewicht in zijn hand, aan de kwaliteit van de rugbanden, de geur. Hij is een doorgewinterde archivaris, aan wie modieuze stromingen als kennismanagement, nieuwe registratietechnieken, record management, enz. niet besteed zijn. Wanneer hij zijn (vrouwelijke) directeur moet vervangen op een conferentie in New York over nieuwe computertechnologie voor bibliothecarissen en archivarissen, vindt hij de meeste deelnemers net iets te veel verzot op technologische ontwikkelingen; Matthias Lane heeft het, als ouderwetse ambachtsman, niet zo op computerfanaten:  


‘De echte wetenschappers, voor wie boeken zo goed als alles zijn, hebben weinig aandacht voor de jongere bibliothecarissen met hun fixatie voor het toetsenbord. De echte wetenschappers komen naar mij toe.’


 




De archivaris’ vond ik bij de eerste lezing een soms verbluffend rijke roman, waarin tal van interessante maar ook zware thema’s aan de orde komen, die op ingenieuze wijze met elkaar worden vervlochten. Centraal thema is de correspondentie van de beroemde dichter T.S. Eliot aan zijn minnares en vriendin Emily Hale, die door Lane is ontsloten en pas in 2020 openbaar mag worden gemaakt. Het leven van de personages van de roman, en dan met name de nasleep van de holocaust, wordt door Martha Cooley knap verbonden met dat van T.S. Eliot. Eliot liet zijn vrouw Vivienne ooit opsluiten in een psychiatrische inrichting, net zoals Mathhias Lane zijn vrouw Judith laat opnemen. Zowel Vivienne als Judith komen er niet levend uit. Het is een spiegeltechniek die de hele roman doorwerkt, en dan vooral over schuldgevoelens en de omgang hiermee. Bij herlezing vond ik de roman hierdoor wat uit het lood slaan, topzwaar worden zelfs.


‘Als archivaris heb ik macht over andere mensen. Ik beheer de toegang tot materiaal dat door hen begeerd wordt. Natuurlijk kent deze macht zijn beperkingen. Ik kan iemand die recht heeft op het gebruik van de bibliotheek niet eigenmachtig de toegang ontzeggen, noch kan ik verhinderen dat er materiaal aan de collectie wordt toegevoegd alleen omdat de auteur of de inhoud me niet bevalt. Ik heb ontdekt dat het belangrijk is niet te dicht bij de wens van de lezer te staan en ook niet te ver ervan af.’  


Met die macht gaat Lane aan het eind van de roman nogal selectief om. Stukken laten inzien waarop nog een embargo rust, mag helemaal niet. Dit voorbeeld staat echter niet op zichzelf, zoals even verderop in de roman blijkt.


  


Martha Cooley


‘De archivaris’ (‘The archivist’)


1998


uitgeverij Prometheus


ISBN 90 5333 7474



Gepost door: beerenbroike op 12-02-2012 om 16:03
08-02-2012 - CITATEN

‘Wie niet in archieven voorkomt, heeft niet geleefd’.


uit de roman ‘Ter navolging’, Kees ’t Hart, 2004


‘De archieven noemde hij kerkhoven van een manische registreerdrift, ze moesten wel uitpuilen van de zinloze, onbegrijpelijke en onbereikbare gegevens. Dat was de paradox: hoe meer er werd vastgelegd en elders opgeslagen, hoe geheugenlozer de betrokkenen, die daardoor ook steeds minder betrokken werden. De administratie perfect in orde, maar niemand die iets wist, niemand die iets waarnam, niemand die zich iets herinnerde’.  


uit de roman ‘De dood van een leraar’, Cyrille Offermans, 2011


‘Ik heb dingen weggegooid, en ik heb spijt gehad. Je krijgt altijd spijt dat je dingen hebt weggegooid op een bepaald moment in je leven. Maar als je niet weggooit, als je geen afstand neemt, als je de tijd wilt bewaren, dan blijf je je leven lang het leven ordenen, archiveren. Je ziet vaak dat vrouwen hun gas- en lichtrekeningen twintig jaar bewaren, enkel en alleen om de tijd te archiveren, hun verdiensten, de tijd die ze hebben doorgebracht en waar niets van overblijft’.


uit ‘Het materiele leven’, gesprekken met Marguerite Duras, 1988.


‘Het lijkt wel een archief’. Zij lachte vroolijk. ‘Ja, het is een archief. Maak het eens open’.


uit de roman ‘Metamorfoze’, Louis Couperus, 1897



Gepost door: beerenbroike op 08-02-2012 om 22:15
07-02-2012 - MISLUKKELING


 



In ‘Portret van een jongeman’ van J.M. Coetzee is het hoofdpersonage een labiele hulpbibliothecaris die in de avonduren de leeszaal bemant omdat vrouwelijke medewerkers ‘s avonds niet over straat durven. Hij neemt baantje na baantje en mislukt overal, omdat hij, zo meent hij, eigenlijk dichter is die op zijn doorbraak wacht. In de roman neemt hij meisjes mee naar huis van wie hij vooraf weet dat seks op niets zal uitlopen, en toch gaat hij met hen naar bed, wat liefdeloze passages oplevert. In de verte doet Coetzee’s roman denken aan ‘Het verweer van een gek’ (1895) van August Strindberg, ook al een verhaal over een merkwaardige bibliothecaris die problemen heeft in de omgang met het andere geslacht en waarin het hoofdpersonage het bibliothecarissenwerk iets voor mislukkelingen noemt.


Waar komt toch die beeldvorming vandaan, die afgaande op de internationale verhalende literatuur niet van vandaag of gisteren is.


In de bibliotheeksector zijn al tal van initiatieven genomen om het hardnekkige negatieve imago te bestrijden. Niet alleen via opleidingen, maar ook met ludieke middelen. Zo organiseerde de bibliotheek Zaanstreek in 2004 de zogenaamde Bieb Babe verkiezingen, om af te rekenen met het verschijnsel biebmiepen. Natuurlijk niet aardig tegenover al die dames die zich vele jaren met hart en ziel hebben ingezet voor het bibliotheekwerk! In Amerika maakte de bibliotheeksector zelf een speelfilm, ‘The Hollywood Librarian’, geregisseerd door Ann Seidl. In reclamespotjes en stoute filmpjes duiken wel eens sexy bibliotheekmedewerksters op. (Van archiefmedewerksters is mij dit niet bekend, ik ken geen ‘Archiefstuk’-verkiezingen). Michiel Nijhoff onderzocht voor het Bibliotheekblad (11 oktober 2002) het imago van bibliothecarissen in speelfilms en concludeerde dat de vooroordelen waarmee deze personages waren vormgegeven helaas klopten met de bestaande praktijk: vrouw, ouder, bril. In speelfilms komen overigens ook stuntelige mannelijke bibliothecarissen voor. Nijhoff wijst bijvoorbeeld op ‘een stempelende sukkel van een bibliothecaris’ in ‘Indiana Jones and the last crusade’. Nijhoff noteert zelf het stereotype van de bibliothecaris zoals die in films is te zien:: ‘bibliothecarissen zijn meestal vrouw, vrijwel altijd ouder, vaak ongehuwd, steeds voorzien van een bril. Als het mannen zijn, dan zijn ze oud, moe en wereldvreemd, de bril is ook hier een vast onderdeel van de verschijning.’ Hij concludeert, om zich heen kijkend tijdens een bibliotheekconferentie, dat dit beeld aardig overeenkomt met de werkelijkheid. Maar wel een werkelijkheid van alweer tien jaar geleden.


Nog even verder over de bibliothecaris als ambitieloze mislukkeling. In eigen land is David Windvaantje, sneue bibliothecaris bij het Vredespaleis, een beroemd personage in het oeuvre van J.M.A. Biesheuvel.  Of neem deze zin: ‘Johan van der Kok werkt op de bibliotheek van het Vredespaleis en is een saaie man, een vrijgezel van veertig jaar’ (uit ‘Duizend vlinders’ van J.M.A. Biesheuvel). Dit is echter nog een compliment vergeleken met wat Alfred Kossmann over een bibliothecaris vermeldt in zijn roman ‘Rampspoed’ (1985): ‘een onbruikbaar man, een mislukkeling’. Van hetzelfde laken een pak valt te lezen in de roman ‘Slecht zicht’ (1986) van Kossmann: ‘Ik weet dat hij verward, oppervlakkig van allerlei heeft gestudeerd, een diploma heeft gehaald voor bibliothecaris, in Utrecht, Rotterdam en Amsterdam, en nu leeft van een uitkering zonder te verlangen naar ooit nog een dagtaak’.


 


 


 


 


 



Gepost door: beerenbroike op 07-02-2012 om 22:03
05-02-2012 - HISTORISCH SCHOOTHONDJE

‘Ik duik nog wel eens in de oude archieven, nu gehavend en chaotisch, maar via een nieuwe manier van zien en kombineren, weer aktueel(…)’ – CB Vaandrager, ‘De Hef’, blz 33, zijn prachtboek uit 1975. Precies mijn ervaring (soms). Een gebeurtenis is niet gedateerd, meestal cyclisch en wacht weer op zijn beurt. Probeer toch niet steeds het wiel opnieuw uit te vinden, alles is al honderd maal uitgedacht, raadpleeg de archieven maar. Hoewel: ‘Als je niets te doen hebt, doorzoek dan het archief. Vraag me niet wat ik zoek, ik weet het niet.’ (Simenon, ‘Maigret en de clochard’, filmversie).  Is het zover, dan zet iemand alles in een groot licht.


 



‘Tijger, tijger’, knappe roman uit 1980 van de afgelopen maandag veel te vroeg overleden schrijfster Doeschka Meijsing, over een jonge vrouw die het familiearchief van een zonderlinge oude vrouw (Vrouwenvelder) op orde moet brengen. Dat gaat niet zonder slag of stoot en tegenwerking. ‘Uw belangstelling voor de geschiedenis van de familie is gebaseerd op onfatsoen. Laat die pijnlijkheden voor mevrouw met rust’, zo bijt huisknecht Mortien haar toe. Ook in ‘Tijger, tijger’ enige noties over het wezen van geschiedschrijving: ‘Geen enkele generatie heeft een eigen geschiedenis, betoogde hij. Hun geschiedenis is ondergesneeuwd door mythes die latere generaties gevormd hebben. Het was de taak van de geschiedschrijving om een generatie los uit te weken uit het schaduwland van de mythes en ze terug te brengen naar de feiten van hun eigen geschiedenis’.


Iets soortgelijks geschiedt in ‘De vleespotten van Egypte’ van Marnix Gijsen en ‘De ordening’ van Kees van Beijnum, romans over amateurachivarissen die het privéarchief van deftige foute dames op orde moeten brengen. In ‘De vleespotten’ worden ook bezoeken beschreven aan echte archiefinstellingen, op een manier die gerust hilarisch mag heten. Hoe neemt de hoofdpersoon in ‘De vleespotten’ zijn werk op? Zo: ‘Je schrijft altijd het best over een tijdvak waaruit slechts weinig bescheiden zijn overgebleven. Dat laat je toe te fantaseren.’ Met zo’n werkhouding is het eigenlijk alleen maar terecht dat deze amateurarchivaris door de luie zoon des huizes wordt uitgemaakt voor ‘historisch schoothondje van Frau Mama’.  


Onder mijn ogen kwam een Klanttevredenheidonderzoek van enige jaren terug: jonge ambtenaren en managers tonen geen tot nauwelijks belangstelling voor archieven en andere informatiedienstverlening. Voor managers is er geen eer aan te behalen (‘papier is voor losers’), jonge werknemers denken dat alle informatie digitaal beschikbaar is (‘Wat niet digitaal is, bestaat niet’). Wel waardering voor deze dienstverlening tonen ambtenaren van 54 jaar en ouder, de categorie dus die binnen afzienbare tijd met pensioen gaat, overigens samen met een hele generatie ervaren archivarissen.


“Hij keek om zich heen. Het werk op het Archief zou hem nooit meer vervelen.” (uit de roman‘Verdwaald gezin’ van Jan Siebelink)


Zo is het maar net.


Mevrouw van een bestuurlijke organisatie knoopte een praatje met mij aan, in de veronderstellling dat ik een gewichtig heerschap was die wat in de melk te brokkelen had. Zij kapte het gesprek meteen af toen ik haar zei dat mijn werkzaamheden de archieven aangingen. Vol afgrijzen keerde ze mij haar bestuurlijke rug toe. Die blik in haar bestuurlijke ogen: archieven, jasses, wat oninteressant! Mijn vriendelijke tegenwerping dat minstens de helft van haar kennis indirect uit archieven afkomstig is, mocht niet baten.



Internaten en archieven: enige jaren terug even in de belangstelling geweest (en terecht). Mensen die in hun jeugd in een internaat hebben doorgebracht en daarover later nog eens de sporen willen terugzien in archieven. Immers, het doet een mens soms goed in nostalgie aan zijn trekken te komen (of om aan documenten met bewijskracht te geraken, zie de actuele misbruikdiscussie in internaten). Maar die archieven blijken er dan soms niet te zijn, of als ze er wel zijn, zijn ze goed verborgen. Ik herinner mij wel in een ver verleden gelezen internaatromans (een mooi genre), uit ons eigen taalgebied bijvoorbeeld van Alfred Birney (‘Bewegingen van heimwee’; met voor mij herkenbare locaties uit de regio Den Haag - Voorschoten) en Ward Ruyslinck; uit het buitenland boeken van Barbara Frischmuth en Violette Leduc.



Gepost door: beerenbroike op 05-02-2012 om 16:48
01-02-2012 - FAMILIEARCHIEF

‘Ik had me nooit bekommerd om de dingen die voorbij waren’, staat in de roman ‘Een gedoodverfd winnaar’ (1977) van Rudolf Geel, over een jongeman die zijn moeder belooft het in een kluis opgeborgen archief van zijn overleden vader – een beroemd vakbondsvoorzitter – te ordenen. Het ontsluiten van een (familie)archief kan onverwachte vondsten opleveren. Het zet het geheugen aan het werk, kan met terugwerkende kracht voorvallen verklaren die altijd onbegrepen zijn gebleven. Of men treft, zoals in ‘Een gedoodverfd winnaar’, een kopie van een handgeschreven brief aan die een ander licht werpt op het gevoelsleven van de archiefvormer. 


In het huidige tijdperk van vergrijzing en mantelzorg verschijnen steeds meer romans en non-fictieboeken over het leeghalen van het ouderlijk huis, of de zorg over bejaarde ouders en de verrassingen die men dan aantreft. De confrontatie met vondsten in kasten en kelders of op zolders kan heftige emoties oproepen. Dat geldt ook voor de papieren nalatenschap. Denk aan de liefdesbrieven die de ouders elkaar hebben geschreven in hun verkeringstijd, tientallen jaren lang verborgen in een nis van een rommelkast. Of tekeningen, schoolrapportjes, stukken van het consultatiebureau en andere papieren getuigen van de jeugdjaren van de kinderen, al die jaren bewaard gebleven (meestal is de moeder daar verantwoordelijk voor).


De laatste roman in dat genre is ‘Het raadsel vader’ (2011) van Monika Sauwer. Het hoofdpersonage – dochter – ontfermt zich over het huishouden van haar bejaarde vader, kunstenaar Herman Vester, die na een val van de keldertrap minder mobiel is geworden. De dochter probeert wat orde in het huis aan te brengen en stuit ook op een archiefkast: ‘een wanhopig stemmende papiermassa’. Toch zal die papiermassa wat meer kunnen vertellen over het verleden van haar vader. Met ‘Het raadsel vader’ voegt Monika Sauwer weer een mooi boek toe aan de reeks die zij al op haar naam heeft staan.



Gepost door: beerenbroike op 01-02-2012 om 21:35
24-01-2012 - ARCHIEFKASTEN

Als de archieven konden spreken, hoorde ik eens een leidinggevende zeggen in een afscheidsrede.Hij is de enige niet geweest die het auditieve karakter van archieven ter sprake heeft gebracht. In de roman ‘De bezoeker’ (1976) van György Konrad denkt een cynische ambtenaar/dossiervormer van de sociale dienst hetzelfde.


‘Wat een lawine van stemmen zou er dan uit de kast rollen! Het huilen van kinderen, het jammeren van vrouwen, vechtpartijen, weerzinwekkend gekijf, klachten, tegenklachten, taaie verhoren, bondige bekentenissen, tendentieuze getuigenissen, machteloze ambtenarenfomules, de dubbelzinnige jovialiteit van rechercheurs, opgedreunde vonnissen in de rechtzaal, het zweverige gebazel van onderwijzeressen, de toverspreuken van een zielkundige, de zuurzoete grapjes van collega’s, mijn eigen eenzame scheldkanonnades – wat een menigte geluiden zou de kamer vullen!’ (Zouden er ook luisterarchieven bestaan?)


De ambtenaar uit het boek van Konrad heeft een hekel aan zijn klanten, hun gezeur en de problemen waarmee zij hem opzadelen. Ook heeft deze ambtenaar een hekel aan de dossiers die hij vormt, hij verafschuwt zelfs de dossierkasten in zijn werkruimte. Toch geeft hij ons enig inzicht in de opbouw van een dossierbundel, het ontstaan en het einde ervan en de termijnen die erop van toepassing zijn. Men legge er de handleiding dossiervorming maar naast.


Iets van de teneur van Konrads boek kwam ik ook tegen in ‘Het onuitsprekelijke’, de postuum verschenen brieven vanuit Berlijn (waar hij een baantje aan de kanselarij had) van de Haagse schrijver J. van Oudshoorn (1876-1951). Het kantoortje waar hij werkt is gehuisvest op een benauwde vliering van een armoedig Berlijns gebouw. Met zijn collega’s heeft hij amper contact, de kamers die hij in pensions betrekt worden medebevolkt door wantsen en ander ongedierte.Het is altijd hetzelfde bij Van Oudshoorn, maar wat is alle zelfbeklag en zelfspot toch in een superieure vorm gegoten.


Ook bij Van Oudshoorn spelen dossierkasten een vreemde rol, d.w.z. er wordt bij herhaling melding gemaakt van ‘gele archiefkasten’ die blijkbaar in de weg staan. Steeds herhaalt Van Oudshoorn de kleur van die kasten. Archiefkasten kunnen bij sommige mensen al op de zenuwen werken, maar vergeelde archiefkasten, dat is blijkbaar helemaal van een grote treurigheid.





Gepost door: beerenbroike op 24-01-2012 om 21:54
17-01-2012 - BRAKMAN

Beklad geen archiefstukken! Gedenk het lot van archivaris De Haan, beschreven in ‘Heimwee naar het archief’ (Het Oog in ’t Zeil, nr 2, december 1983), over dr. F. de Haan, de markante landsarchivaris te Batavia. De Haan, die leefde van 1863 tot 1938, zich door zijn lange loopbaan en positie onkwetsbaar wanend, had op archiefstukken ‘met potlood strepen en aantekeningen in de marge en in de tekst aangebracht’, wat het gedwongen einde van zijn loopbaan betekende. De Haan beantwoordde aan het cliché van de eigenaardige archivaris:


‘een wonderlijk man, begaafd en lastig, een verstokt celibatair en weinig sociabel. In zijn werkkamer gezeten achter een indrukwekkende Compagnietafel, omringd door honderden papieren, archiefbundels en boeken, in schilderachtige wanorde door het vertrek verspreid. Bezoekers pasten niet in zijn beleid. Bezoekers maakten inbreuk op zijn dagindeling en roofden zijn tijd. Voor klachten bleef hij doof’.


Mooi artikel, van de hand van, wie anders, Rob Nieuwenhuys (1908-1999).


 




Die landsarchivaris De Haan lijkt wel een personage uit een verhaal van Willem Brakman, die menig louche boekhandelaar, papierleurder of archiefkerker heeft opgevoerd. Leg het onderwerp in handen van Brakman en er ontstaat een krankzinnig verhaal. In ‘Late vereffening’ (1994) gaat hij op zoek naar de geschiedenis van de Brakmannen en doet dat op de van hem bekende manier. Aanleiding is een aantal telefoontjes en uiteindelijk het bezoek van een onbekend familielid, die Brakman in het bezit stelt van een Aanvulling op de Geschiedenis van de familie Brakman. Daaruit zou blijken dat de wortels van Brakman hem leiden naar het veertiende eeuwse Antwerpen.
Willem Brakman heeft bij diverse gelegenheden verteld hoeveel plezier hij had tijdens het schrijven, plezier om zijn eigen vondsten en invallen. Dat particuliere plezier proef je ook weer uit ‘Late vereffening’, met zinnen als:
‘Uit gedenkschriften, grafstenen, Schepen- en Oorkondeboeken en klappers, Doods- en Transportfolianten zijn mijn voorouders niet zozeer verlost en op de been geholpen, eerder zijn ze het gelige licht van de Aanvulling binnengeslopen, want hun tabellarische onderworpenheid bevat duidelijk elementen van mok en onrecht hun aangedaan, en vooral van gehoorzaamheid.
Velen hebben de registers niet eens gehaald vanwege de brand in het stadhuis te Antwerpen tijdens de Spaanse Furie; ze zijn daarin, vermoedelijk verongelijkt, ondergegaan, weggekruld en verkoold.’
Zo kan men niet alleen bij leven sterven, maar ook nog eens in de archieven, bij een brand.
En Brakman vervolgt:
‘Niet allen die de tabellen niet haalden zijn verbrand, anderen vielen niet op en worden dan ook niet genoemd. Maar ze moeten er zijn geweest, zij die haperden, alles verzwegen, tegen zichzelf fluisterden, zichzelf niet eens meer te woord stonden. Zij die vergaten te leven in de wieghe, er de kracht niet toe hadden en geheel maar dan ook totaal vergeten zijn.
Ik gedenk hen met eerbied, zij die zoveel offerden, of anders het weinige dat hun bleef, opdat ik in hun plaats zou leven, op hun kosten. Een hecht bijeengestorven bestaan, waarbij men er goed aan doet dit voldoende grimmig in te zien, zodat men mij leert kennen als hongerig, zelfzuchtig, vol gier en derhalve moordlustig.’
‘Late vereffening’ is een van de vele hoogtepunten uit het rijke oeuvre van Brakman, die voor zijn werk met de Bordewijkprijs, de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de P.C. Hooftprijs werd onderscheiden.
Bert Looper, directeur van Tresoar, riep het al eens: historische archieven bevatten poëzie!
Willem Brakman zei het al voor hem:
‘De poëzie ligt hier in het werkelijkheidsgehalte, dit is taal die opgeslagen is, gekelderd, valt te beknisperen, wie wil kan naar Antwerpen reizen en het vel daar in het archief betasten en beruiken.’ 


Hoe Brakman zelf poëzie maakt van archieven, blijkt bijvoorbeeld uit deze passage:


‘Dagceelboeken, schuldbrieven, wissels, protocollen, registers, perkamenten, mappen en handschriften. Veel, eigenlijk alles is door de tijd aangedragen en er dus ook door gestempeld: bruin, brekend, verpulverend, gepokt, gevlekt. De mappen verkeren op de rand van zuchten, ze kreunen en steunen gemarmerd. Mompelen vaalgrijs over de broosheid der menselijke nature, en datter niet zekerder is dan de dood en niet onzekerder dan die ure deszelven. Gebonden raadselen, genaaide gapingen, achtergelaten door de perykelen en dangieren, gevoegde Furien, branden, rooverijen en vocht.’





Gepost door: beerenbroike op 17-01-2012 om 21:17
10-01-2012 - IMAGO

Al jaren staat het imago van de archivaris op de agenda van de beroepssector. Moet je je als archivaris of medewerker bij een archiefinstelling nu druk maken over de eeuwige discussie over het imago? (Saai! Stoffig!) Het vak is veranderd, digitalisering is vergevorderd, het functiehuis in de archieven is gevarieerd en dat geldt ook voor de mensen die er werkzaam zijn. Niet de functie archivaris is stoffig, het imago zelf is stoffig geworden en allang niet meer van deze tijd. Bovendien, als er met papieren archieven gewerkt wordt, gedenk dan de woorden van historicus Piet de Rooy uit zijn fameuze essay ‘Sirenenzangen uit het archief’ (De Gids, nr 1, januari 1989): ‘geen fijner stof dan archiefstof’.



De beroemde archivaris mr. Samuel Muller (1848-1922, afbeelding) luidde in zijn toespraak ter opening van de derde jaarvergadering van de Vereeniging van Archivarissen in Nederland de alarmklok om de vele vakgenoten die aanstalten maakten om hun heil in een ander beroep te zoeken. Reden: het geringe aanzien van het archivarisberoep, neerbuigende reacties in de media en zelfs in kringen van de volksvertegenwoordigers, volgens wie archivaris een luizenbaantje was, eigenlijk meer liefhebberij dan een vak waarvoor je geleerd moest hebben. Muller wees ook op de negatieve tekening van de archivaris in de schone letteren, Hij doelde in het bijzonder op ‘Hedda Gabler’ van Hendrik Ibsen en ook betrok hij Alphonse Daudet in zijn beschuldiging. Muller vatte het imago van de archivaris als romanpersonage als volgt samen: ‘een uiterst goedaardig individu, braaf en onschadelijk, ijverig en consciëntieus, maar kleingeestig, ijdel, voor de praktijk volkomen onbruikbaar, bekrompen, droog, ongelooflijk vervelend, zonder eenige belangstelling voor zaken buiten zijn eigen kringetje, zonder hart en zonder geest, en bovenal absoluut verwerpelijk in de oogen van het schoone geslacht’.Is het niet ontzettend, riep Muller de zaal toe, “voelt gij u niet een verworpeling?”


Het afgesleten imago van de archivaris vinden we ook terug in de roman ‘Alle namen’ (2000) van Nobelprijswinnaar José Saramago, waaruit onderstaand fragment afkomstig is. Maar kijk eens met hoe veel liefde hier over het archiefwerk wordt geschreven


Er gaat weliswaar geen dag voorbij zonder dat er nieuwe stukken het archief ingaan, van de individuen van het mannelijk en vrouwelijk geslacht die buiten worden geboren, maar de geur verandert niet, ten eerste omdat nieuw papier onherroepelijk begint te verouderen zodra het uit de fabriek komt, ten tweede omdat er evenmin een dag voorbijgaat zonder dat er, gewoonlijk op oud maar ook wel op nieuw papier, oorzaken, plaatsen en data van overlijden worden genoteerd, die allemaal hun eigen geur bijdragen, al hoeft dat niet per se een onaangename te zijn, zoals blijkt uit bepaalde subtiele vleugjes die zo nu en dan op het Algemeen Archief worden waargenomen en waarin de gevoeligste reukorganen een mengeling van roos en chrysant herkennen”.


 Meneer José, de hoofdpersoon, is een anoniem schrijvertje zoveelste klasse op het Algemeen Archief van de Burgerlijke Stand. Kalm rijgen zijn dagen zich aaneen met het beschrijven van de kaarten van de Levenden en de Doden. Hij lijdt aan hoogtevrees en durft amper de ladder op om de dossiers van de bovenste planken der gigantische kasten te halen. Ook ’s avonds houdt de schuwe vrijgezel zich bezig met archivering. Hij verzamelt dan krantenknipsels van beroemdheden. Op een avond gaat hem een licht op. Aan zijn collectie ontbreken persoonskaarten van de door hem verzamelde subjecten van de knipsels. Hij gebruikt de deur tussen zijn huisje en het Algemeen Archief om ’s avonds de kaarten van beroemdheden te kopiëren. Bij een van die ondernemingen neemt hij per ongeluk de kaart van een onbekende vrouw mee. Hij kopieert ook die kaart en besluit twee dagen later naar haar op zoek te gaan. Wel ja, de archivaris als stalker, dat kan er nog wel bij. En een archivaris die stukken voor eigen gebruik kopieert en & of mee naar huis neemt, schendt de integriteit die zijn beroep met zich mee brengt; meneer José wordt dan ook op het matje geroepen bij zijn superieuren.


 



Gepost door: beerenbroike op 10-01-2012 om 22:32
09-01-2012 - HEB JE NOG IN ARCHIEVEN ZITTEN KNOEIEN?

Treurig en vermakelijk tegelijk is het beeld dat van archivarissen wordt geschetst door Atte Jongstra in het verslag van zijn periode als gastarchivaris bij het Historisch Centrum Overijssel. Jongstra trof er een cultuur van onwil en weerstand. Als hij zich eens archivaris noemt, wordt hij direct op zijn plaats gezet door een collega: “U bent maar een schrijver, meneer! Slechts op bezoek!” Jongstra schetst, ook al druipt de ironie er vanaf, een herkenbaar beeld: een introverte bedrijfscultuur, buitenstaanders en bezoekers worden als indringers gezien, een gevaar voor het kostbare papier dat zij willen inzien. Het personeel gedraagt zich als ‘verdroogde archiefbaasjes’ (deze kwalificatie komt van de schrijver Willem Brakman, te vinden in zijn roman ‘Late vereffening’ uit 1994). De houding van het personeel is  echter wel te verklaren. Jongstra had vlak daarvoor de roman ‘De avonturen van Henry II Fix’ (2006) gepubliceerd, een zogenaamde historische roman, mede gebaseerd op vermoedelijk niet bestaande bronnen. Een doodzonde in de ogen van archivarissen die hun werk wel heel erg serieus nemen. Om het personeel en andere regionale sceptici te overtuigen, richt Jongstra een expositie in over het leven van Henry II Fix (volgens Jongstra geboren in 1774 en gestorven in 1844), en laat hij zelfs een borstbeeld van de 19e eeuwer ontwerpen.  Een debatavond op het Historisch Centrum over Henry II Fix loopt volledig uit de hand. Het artikel van Jongstra is verplichte kost voor iedereen die met archieven te maken heeft. Het verscheen in het zomernummer van het literaire tijdschrift KINBOTE (2007) en werd later opgenomen in Jongstra’s  autobiografische boek ‘Klinkende ikken’ uit 2008, verschenen bij de Arbeiderspers, in de reeks Priivédomein.



Iets soortgelijks komen we  tegen in de roman ‘Ter navolging’ (2004) van Kees ’t Hart. ‘Heb je nog in archieven zitten knoeien?’ Archieffundamentalisten zullen gruwen van deze roman van Kees ’t Hart, die historische archieven vermengt met verzinsels, geschiedkundige feiten met onzin, eigen archiefonderzoek en neponderzoek. Niet voor niets staat er in de roman: ‘archieven zijn de leugenbanken van de toekomst’. Het boek beslaat tal van gebeurtenissen, maar rode draad is archiefonderzoek in binnen en buitenland naar (sporen van) vermeende pornografische geschriften van de achttiende-eeuwse schrijfsters Betje Wolff en Aagje Deken.  Onderzoekers in de roman vervalsen of stelen documenten of voegen zelfgeschreven documenten aan een archief toe. Zou het er in het echt ook zo aan toe kunnen gaan? Archieven worden wonderlijke eigenschappen toebedeeld (door het vriendinnetje van een jonge archiefonderzoeker): ‘Hij neukt als een archief’. Dat roept onmiddellijk associaties op aan het boek ‘Liefde’ (1965) van Simon Vinkenoog, waarin de volgende passage is opgenomen: ‘één archief, dat van het grote neuken’.


Jan Siebelink heeft twee romans geschreven over een archivaris: ‘Verdwaald gezin’ (1993) en ‘Engelen van het duister’ (2001). In ‘Verdwaald gezin’ schrijft Siebelink met kennis van zaken over de archiefpraktijk (hoewel hij daartoe waarschijnlijk studieboeken over het archiefwezen heeft geraadpleegd). De roman speelt zich – in de jaren vijftig van de vorige eeuw - gedeeltelijk af op het Stadsarchief Arnhem, waar het hoofdpersonage Hugo Sprenger als registrator werkzaam is.  Het archief heeft in de oorlog zwaar te lijden gehad van bombardementen en moet weer op orde worden gebracht. Hoewel Hugo het er redelijk naar zijn zin heeft, blijft de twijfel knagen. Het is een baan die hij ‘gewenst noch gezocht had’. Want iemand met ambitie belandt toch niet op een archiefafdeling? ‘Archief stond immers overal bekend als de rustigste dienst. Liepen daar niet alleen stoffige mannetjes rond in middeleeuwse kerkers? Ineens werd Hugo overvallen door gene, door schaamte dat hij hier werkte, dat hij zich hier op het Archief zo op zijn gemak voelde.’ Alleen het idee dat de baan een tijdelijk karakter had zorgt ervoor dat hij toch iedere dag opgewekt naar zijn werk gaat. Zijn voornaamste taak is het selecteren van stukken op vernietigbaarheid. ‘Alle termijnen waren minimumtermijnen. Goed archiveren was niet alleen een zaak van opslaan en bewaren, maar hield juist selectie en vernietiging in. Die twee laatste handelingen kunnen niet onbeperkt naar een later tijdstip verschoven worden. Uitstel veroorzaakt achterstand en maakt selectie steeds moeilijker. Het is daarom van het allergrootste belang stukken die uiteindelijk voor vernietiging zijn bestemd tijdig af te scheiden van wat voor altijd bewaard moet worden.’ Ironisch genoeg zijn de problemen waarvoor men zich in de roman van Siebelink ziet gesteld, ook vraagstukken die vandaag nog spelen. Zo schrijft de adjunct een nota ‘Archief van de toekomst of de toekomst van het Archief’.  Onder de collegiale, bijna vriendschappelijke verhoudingen op het Archief broeit echter de unheimische dreiging die we zo goed kennen uit de schoolverhalen van Siebelink. Eigenlijk voelt Hugo zich alleen veilig in de rust van het grote archiefdepot, waar hij in alle rust naar verloren gewaande stukken kan zoeken.


In de roman ‘Engelen van het duister’ – een roman over de twee broers Lucas en Casper uit Siebelinks succesroman ‘Knielen op een bed violen’ -, treedt Casper in dienst van een gemeentelijke archiefinstelling. Waar Lucas een academische toekomst nastreeft, neemt Casper het leven veel makkelijker en speelt hij de gigolo voor bemiddelde dames. Casper is een onbezorgder kloon van Hugo Sprenger. Ook hij houdt zich graag schuil in het archiefdepot. ‘Soms had hij hulp van een stagiaire. Maar geen mens die hem  controleerde. Hij deelde zijn eigen tijd in, daalde dagelijks in de diepe archiefkelder af. Zijn domein. Een collega zag hij zelden.’


‘Maar vaak hoop ik dat dit papier


Nooit vergaat of vergeelt,


Zodat honderd jaar van hier


Of nog veel verder een heel


Lieve maar ook zeer eenzame


Latere, liefst een dame,


Het stof van de bladzijde veegt


En letter voor letter leest:


Eindelijk eindelijk samen’


(Willem van Toorn, ‘Soms heel vaak’, 1981)



Gepost door: beerenbroike op 09-01-2012 om 21:42
08-01-2012 - BEROEPSBEELD


‘Voor eens en voor al: papier, niets


dan papier, en nog eens


voor eens en voor al niets


dan’


(Gerrit Kouwenaar, uit ‘Data/decors’, 1971)


 


In de praktijk worden archief- en bibliotheekafdelingen vaak gebruikt om er mensen te parkeren voor wie elders geen plaats meer is, of die langdurig uit de roulatie zijn geweest (bijvoorbeeld door een burn-out of psychische problemen) of die door lichamelijke gebreken nergens anders kunnen werken. Dat beeld zie je ook in de verhalende literatuur terug, bijvoorbeeld bij J.J. Voskuil, die in ‘De dood van Maarten Koning’ (2000) door de ogen van Koning een scene beschrijft op het Amsterdams Gemeentearchief:


‘Hij ging tussen het personeel zitten en keek naar al die treurige mensen, het overtollige intellect van de maatschappij. Een jongen met een bochel en kromme benen kwam met zijn armen zwaaiend langs, op weg naar zijn tafeltje. Maarten keek aandachtig naar hem en voelde zich onthecht’. Eerder al kreeg Maarten van een medewerkster op snauwerige toon te horen dat hij zich aan de openingstijden moet houden en niet te vroeg op het archief moest verschijnen: ‘het is nu voor het personeel’. De kantinejuffrouw van het archief weet niet wat ze met de rijksdaalder aan moet, die Maarten haar betaalt voor een kopje koffie. ‘Een tweede vrouw, mager en klein, kwam haar te hulp en liet haar zien hoe je van een rijksdaalder teruggeeft’.  


De term ‘overtollig intellect’ komt overeen met hoe er bij veel organisaties tegen het archief en de bibliotheekafdeling aan wordt gekeken: als het afvoerputje van het bedrijf. Mensen met een behoorlijk verstand maar die het om de een of andere reden toch niet redden, ‘mensen met een vlekje’ komen al snel op die plekken terecht. Het archief en de bibliotheek als sociale werkplaats of strafkolonie. Dit cliché vinden we tot in het absurde terug in de hilarische roman ‘De dwaling’ (1986) van de Vlaming Jo Claes. Het boek beschrijft de lotgevallen van de mislukte schrijver Samuel Durant, zonder enige werkervaring, die door het gemeentebestuur wordt aangesteld als hoofdbibliothecaris van de stadsbibliotheek. Die stadsbibliotheek is gehuisvest in een reusachtig, tamelijk vervallen gebouw. De gemeente weigert geld te besteden aan het onderhoud. Binnen vallen Durant de wisselende klimatologische omstandigheden op. Zo heerst er een poolklimaat in de leeszaal, op de afdeling theologie en in het magazijn is het ondraaglijk warm, in weer andere zalen is het nat en tochtig of wordt het interieur weggevreten door houtworm. Er is nog iets wat Durant verbaast: de medewerkers leggen nauwelijks belangstelling aan de dag voor de boeken waarmee zij werken, ieder werkt voor zich, er is nauwelijks onderling contact. De beheerder van de collectie filosofie maakt zich tot verbazing van Durant volstrekt geen zorgen om het lekkende dak. In de zaal regent en waait het, waardoor de collectie langzaam wegrot. De collectie wetenschap wordt weer gekenmerkt door de volledige wanorde en gebrek aan enige logica van plaatsing op de planken. Uiteindelijk krijgt Durant van een assistent te horen wat er aan de hand is:


‘Al diegenen die hier in de bibliotheek werken, zijn elders mislukt. Haast iedereen zit hier met tegenzin. De werkomstandigheden zijn slecht, het salaris laag maar iedereen blijft omdat men geen uitweg heeft. Voor de medewerkers is elk boek dat door hun handen gaat een straf, omdat het hen herinnert aan een tekortkoming.’


Hier stipt Claes zijdelings een ander aspect aan dat volgens het clichébeeld kenmerkend lijkt voor de beroepsgroepen: de geringe mobiliteit. Wie eenmaal in de bibliotheek of het archief is beland, komt daar ook niet meer uit.    


Maar ook in tal van andere literaire werken schemert het sneue beroepsbeeld van bibliotheek- en archiefmedewerkers door en wordt het archief als verbanningsoord beschreven voor medewerkers die gestraft worden voor begane fouten. In de roman ‘Kleine doorschijnende man’ (2007) van Erik Jan Harmens moet het hoofdpersonage als boetedoening in het archief jaarverslagen op alfabetische volgorde rangschikken. De zinloosheid van deze arbeid wordt nog eens versterkt doordat de meeste jaarverslagen ook digitaal beschikbaar zijn. Iets soortgelijks dreigt te gebeuren in de satirische, op een bestaand ministerie gebaseerde ambtenarenroman ‘Het geheim van Den Haag’ (2009) van Joost Heldeman. De gelijknamige hoofdpersoon, in diskrediet geraakt bij de secretaris-generaal, hangt verplaatsing van Den Haag naar Sittard boven het hoofd. ‘Wat moet ik in hemelsnaam in Sittard?’ roept Heldeman uit. ‘In het archief werken’, luidt het antwoord. Wat er dan kan gebeuren – we hebben het hier over papieren archiefbeheer, niet over het 2.0 tijdperk – wordt tot slot beschreven in het mooie ‘De muur’ (uit 1957) van Jos Vandeloo. Personage Riemans wordt tewerkgesteld in het bedrijfsarchief, dat zich niet in de kelder, maar op een afgelegen zolderruimte bevindt waar verder nooit iemand komt. Hij wordt ingewerkt door de huidige medewerker die aanstonds met pensioen zal gaan en die na ruim dertig jaar de kleur van zijn omgeving heeft aangenomen (geel). De ruimte bevat niet alleen het archief, maar dient vooral als opslagplaats voor onbruikbare dingen, voor alles wat uit zicht moet blijven. 'De dossiers lagen stoffig en rommelig op de rekken. Hier en daar waaide een losgeslagen draad spinneweb naargeestig tegen je gezicht'.  




 


 



Gepost door: beerenbroike op 08-01-2012 om 09:23
07-01-2012 - ONVINDBAAR

‘Het idee werd hem ingegeven doordat hij het veelvuldig meemaakte dat er stukken werden aangevraagd die als ‘onvindbaar’ moesten worden gekwalificeerd. Ze waren hoogstwaarschijnlijk wel in het Archief aanwezig, maar bij vergissing op een verkeerde plaats terechtgekomen. () Hugo had al na enkele dagen enkele belangrijke, echt verloren gewaande stukken boven water gehaald’ (uit ‘Verdwaald gezin’, Jan Siebelink, 1993).


Deze passage zal bij menig archivaris herkenning oproepen. De alinea van Jan Siebelink - het verhaal speelt zich af in de jaren vijftig van de vorige eeuw - past bij de klacht die je regelmatig in voor- of naschrift tegenkomt in een historisch werk. Enkele voorbeelden. De heer de Pater van het  toenmalige Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie noteerde zijn wrevel over departementale archieven in een naschrift van zijn boek ‘Het Schoolverzet’ (1964). Tijdens zijn onderzoek bleken tal van stukken onvindbaar. ‘Ambtenaren hadden dossiers na gebruik op verkeerde plaatsen opgeborgen in het archief, waardoor ze nooit te vinden waren. Andere keren waren ze zo goed opgeborgen, dat niemand meer wist waar ze waren terechtgekomen. Of hoge ambtenaren hadden stukken geleend en permanent in bezit, of belangrijke stukken waren zoek. Uiteindelijk waren deze stukken bij toeval gevonden in een kast van een ambtenaar die met pensioen was gegaan’.


In ‘De geschiedenis was het enige wat we hadden’ (2005) komt Hans Blom, voormalig directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie veertig jaar later tot ongeveer dezelfde klacht. In het boekje beschrijft hij zijn ervaringen, als onderzoeker, met archieven en archivering bij Nederlandse overheidsinstellingen. Zo was hij betrokken bij het onderzoek naar het oorlogsverleden van Pieter Menten (1899-1987). Menten had als SS-er in Oost-Polen ernstige vergrijpen begaan en wilde tientallen jaren later in Nederland geroofde schilderijen laten veilen. Vlak voor zijn arrestatie wist hij te vluchten, wat de indruk wekte dat hij was getipt door bevriende politici. Blom beschrijft dat tijdens het onderzoek bleek dat belangrijke stukken plotseling waren verdwenen, en hoe ambtenaren en anderen de klassieke fouten maakten. Zij namen stukken uit het archief  en ‘vergaten’ die terug te stoppen, of namen de stukken mee naar huis. Of stukken werden terug geborgen in verkeerde dossiers. Het heeft te maken met de geringe waarde die aan archieven wordt gehecht, met onderbetaald personeel en beperkte budgetten, met gebrekkig toezicht en onvoldoende gekwalificeerd personeel. Blom bepleit, hoewel een open deur, een grotere zorgvuldigheid en meer aandacht voor archivering en het hele proces dat daaraan voorafgaat, ter wille van de geschiedschrijving.


'Weet je wel dat de grijsaards in het gesticht


altijd met hun collecties bezig zijn.


Hun kosmos als hun postzegels zo klein,


geweekt van brieven, niet aan hen gericht'.


(W.F. Hermans, fragment uit 'De verzamelaars', 1946)



“Dan kom je in wat nu het Nationaal Archief heet. Ik vroeg aan een van de baliemedewerksters of er materiaal was van de ambassade van Nederland in Parijs. Zij antwoordde me troosteloos van: nee. Waarop ik zeg: er zal best wat zoek zijn, maar u kunt toch niet zomaar zeggen ‘dat wij dat hier niet hebben’. U heeft hier zoveel kilometer archief staan. Hier moet het toch tussen zitten?’’’ (uit ‘De Boekenwereld, 2004, nr 4)




Gepost door: beerenbroike op 07-01-2012 om 20:30
07-01-2012 - ARCHIEVEN
In een aflevering van het tv-programma ‘De wandeling’ ging Hella van der Weijst op pad met een oudere man die tegen door hem gevonden antieke potten en kruiken praatte. De man vertelde enthousiast over zijn liefhebberij als amateurarcheoloog, Hella kwam er amper tussen, misschien ook omdat zij geen vat op hem kreeg. Zij kwam niet echt verder dan de vraag: ‘Denkt u niet dat er mensen zullen zijn die zeggen: die man spoort niet helemaal?’ Natuurlijk beeldde ik mij in dat ik die man was, die in plaats van over potten en kruiken bijvoorbeeld over oude archieven zou praten, over interessante vondsten en de geheimzinnigheid die er soms rond archieven hangt. En dat Hella zou vragen: ‘Denkt u dat u aan het eind van uw leven zult zeggen: ik heb een mooi leven achter de rug, of dat u vol spijt terugkijkt op al dat gerommel met oud papier?’

Pogingen tot grafschrift bij de vernietiging van archief: ‘niets is goedkoper dan als zaagsel te sterven’ (Lucebert)

De Chinese wijsgeer Lao Tse was een archivaris, net als de Franse schrijver Georges Bataille. De Hongaarse componist Anton Bruckner is een tijdje archivaris geweest. In eigen land hebben schrijvers als Eric de Kuyper (eigenlijk een Vlaming, maar al heel lang in Nederland wonend), Simon Vinkenoog en Marcel Möring een beroepsmatig verleden in de archieven, en langer geleden beroemde auteurs als E. du Perron. In hun werk zijn daarvan sporen terug te vinden. Bijvoorbeeld bij F. Bordewijk (1884-1965), die na zijn promotie in 1912 met succes solliciteerde naar een baan op het archief van een Haagse verzekeringsmaatschappij aan de Prinsengracht. In zijn bundel ‘Bij gaslicht’ (1947) is een wat curieus verhaal opgenomen over een archivaris: 

 ‘…wanneer de archivaris een sombere winternamiddag – het wordt hoog tijd dat de glazenwassers komen – door groezelige ruiten de blik doet waren over die wereld van hellende daken, smokig of rood, en hij de vergeelde documenten laat voor wat ze zijn. Want het is verbazingwekkend hoe de stoffige paperassen de verbeelding kunnen prikkelen, niet de neus alleen. De feiten der documenten, beslagen met de gist der verbeelding, gestookt en overgehaald, en weer overgehaald, ziedaar de stad die voor de archivaris opdoemt’.

Stoken en overhalen? Hoe zag het werk van die archivaris eruit? Of slaan die woorden op ‘ziedaar de stad’? Dan nog blijft het voor mij een raadsel.

Sommige schrijvers bezoeken regelmatig de archieven voor bronnenstudie voor een nieuwe roman. Hella Haasse was een beroemd voorbeeld. Haar roman ‘Mevrouw Bentinck of onverenigbaarheid van karakter’ uit1978 is deels gebaseerd op archiefonderzoek bij het Rijksarchief Gelderland. Ook A. Alberts werkte graag op het archief. Andere schrijvers bepleiten het belang van archieven. Weer andere schrijvers gedragen zich in hun werk als archiefwetenschappers:

‘Met een ding is er weinig aan de hand. Als het om twee dingen gaat dreigt er ruzie. Als het om meer dingen gaat dreigt er chaos. Het is bijna menselijk. Als het om een collectie dingen gaat is de verhouding van elk afzonderlijk ding tot zijn omgeving en tot zijn mede-dingen van het grootste belang. () Wij verbeelden ons te manipuleren en te schuiven met de dingen, maar het zijn de dingen zelf die, zodra ze hun ideale positie ten opzichte van elkaar hebben bereikt, met een denkbeeldige stroomstoot onze hand verlammen. Ons als arrangeur afstoten.’ Aldus Gerrit Komrij in zijn bundel ‘Intimiteiten’ (1993).

Tot slot een in een boek gevonden klacht over de teloorgang van ervaren archiefpersoneel (door taakstellingen, reorganisaties, verschuiving van prioriteiten)

‘Maar op het Gemeentearchief van Amsterdam weet niemand meer iets. Al het goede personeel is wegbezuinigd’. – Louis Putman, antiquaar, in ‘Geschiedenis van het Nederlandse Antiquariaat, P.J. Buijnsters, 2007.


Gepost door: beerenbroike op 07-01-2012 om 16:28

Statistieken
Hits vandaag: 15
Hits totaal: 631
Aantal logs: 18
Aantal reacties: 0



PHP Parsetijd: 0.047 sec, MySQL 31 queries in 0.025 secs